Vandaag wordt de Jafar Sadegh herdacht, de zesde imam en volgens Babak degene die in de zestiende eeuw de sjia naar Perzië bracht. Het zal druk zijn in de stad, pelgrims komen naar de Haram-e-Razavi, want Jafar Sadegh ligt begraven in Medina. Ik vertrek ook naar het mausoleum van Reza.
Het is bloedheet als ik de grote binnenplaats opkom van deze wirwar aan moskeeën, medressen, bibliotheken en gastenverblijven, de grootste opeenhoping van heilige plaatsen in Iran. Behoedzaam kijk ik rond over de enorme, met marmer betegelde vlakte, waar veel mannen in het zwart lopen en vrouwen zwarte tsjadors dragen.
Buiten de poort was ik op een processie gestuit. Een groep mannen had imam Jafar Sadegh beklaagd, waarbij ze zich met een of met twee handen – al naar gelang de heftigheid van hun geweeklaag – op het hoofd en op de borst hadden geslagen in een donderende ritmiek en onder luid en donker gezang. Er werd met grote, zwarte, groene en rode vlaggen gezwaaid en het viel me op hoeveel jonge mannen er deelnamen aan het ritueel. Iemand passeerde de groep, die stilstond, maar deed in het voorbijgaan schuchter mee. Een ander zette zijn zakenkoffertje neer om beide handen vrij te hebben. Het waren de beelden van het Iran dat ik me herinnerde uit mijn jonge (kinder)jaren, bij het begin van de revolutie, de gijzelingsactie in de Amerikaanse ambassade in Teheran en de begrafenis van Khomeini.
Onzeker begeef ik me naar de Qods-binnenplaats, waarvan ik niet weet of ik daar mag komen of niet. Maar niemand houdt me tegen en dus sluip ik door. Ik vlei me neer aan de zijkant onder de zuidoostelijke, achttien meter hoge iwan en laat me verpletteren door de schitterende tekening van het complex. Aan vier kanten word ik omsloten door dubbele rijen arcades en ik vergaap me aan de lyrische mozaïeken. Mijn ogen kunnen niet wennen aan de wonderlijke pracht en gehypnotiseerd blijf ik staren naar het geel, opaalgroen en ultramarijn, waar overheen fabelachtig wit Koefisch schrift is uiteengespat. De pelgrims blijven toestromen, velen in een zwart overhemd (zoals het hoort op herdenkingen als deze), velen ook niet.
In de hoek van de binnenplaats zit een groep jonge mannen, die spontaan een brommend gezang aanheffen. Na nog geen twee maten barst een jonge vent in tranen uit en huilt om het verlies van een heilige die al meer dan twaalfhonderd dood is. Het is een geconditioneerd verdriet dat aan- en uitgezet lijkt te kunnen worden, een gekwelde stemming die wij ons nooit zouden kunnen voorstellen. Maar daarom lijkt het verdriet niet minder oprecht en eens temeer dringt tot me door hoe diepgelovig een groot deel van dit volk is.
Overal komen de gelovigen nu vandaan. Naast Iraniërs zie ik ook Arabieren, Pakistani en Centraal-Aziaten (Afghanen en Toerkmenen of Oezbeken) en ik besef hoe hier sjiieten en soennieten samenstromen in een harmonieuze oemma, de gemeenschap van gelovigen. Mensen zitten op tapijten op de tegelvloer van de binnenplaats. Vaders en moeders spelen met hun kleine kinderen en eenlingen buigen voorover op hun knieën en zijn in devoot gebed verzonken. Een moellah in beige tuniek, donkerbruine overjas en met een witte tulband zijgt neer, lijkt wat hooghartig om zich heen te kijken en begint vroom in zijn koran te lezen.
Na bijna een uur sta ik op en loop ik richting de Gohar Shad-moskee, waar ik zonder tegengehouden te worden doorheen glip. Ik wist dat hij soms voor niet-moslims toegankelijk is en hoop vervult me dat ik wellicht ook het allerheiligste kan betreden, de tombe van imam Reza. Boven me zie ik minaretten zweven en ook de gouden koepel, een duplicaat van de al-Aqsa-moskee in Jeruzalem en de kroon op de laatste rustplaats van de achtste imam. Maar als ik voor het mausoleum sta, zakt de moed me in de schoenen. Het mag niet, het kan niet, het zou inbreken zijn in het geloof van een ander, wellicht zelfs aanranding ervan. En wat zou er gebeuren als ik gesnapt werd? In een theocratie als Iran is er niets heiliger dan de islam en wellicht maak ik me schuldig aan grove schending van de wet (die ik niet ken).
Ik denk aan de Britse journalist Robert Byron, de reisschrijver die begin jaren dertig Mesjed niet wilde verlaten voordat hij de tombe van Reza was binnengegaan. Vermomd en trillend van spanning was het hem uiteindelijk gelukt. Nu sta ik te kniezen voor de grafkamer, waar honderden zich verdringen om naar binnen te kunnen.
Dan overmeesteren de nieuwsgierigheid en de drang om in de sporen van Byron te treden mijn fatsoen en mijn angst. Ik sluit me aan bij de massa mannen en sluip mee naar binnen, langs de wachters bij de poort het voorportaal in. Huiverend van opwinding verwacht ik ieder moment in de kladden gevat te worden, maar ik loop nog altijd. Mijn honkbalpetje houd ik op en ik kijk strak naar de grond om ontmaskering als niet-moslim te voorkomen. Handen en lijven raken me aan, het gedrang is enorm, even duizel ik. Soms kijk ik op en zie ik in een flits de wanden en het plafond die beslagen zijn met duizenden spiegeltjes, zoals iedere sjiitische moskee. Alsof duizenden sterren om me heen cirkelen in een dolgedraaide kosmos van kwikzilver.
Ik laat me verder met de stroom lichamen meevoeren, met de gelovigen die in trance verkeren. Ze zien me, maar kijken dwars door me heen, ik ben onzichtbaar voor hen. We naderen de tombe zelf, ik zie de overkapping van zilver traliewerk, waar overheen groen fluweel ligt gedrapeerd. Mijn hartslag versnelt en ik voel een onbeschrijfelijke beweging door het mausoleum gaan. Een zee van gelovigen golft nu om me heen, ze knielen in gebed of ze staan rechtop met de handpalmen omhoog, sommige op sokken, anderen op blote voeten. Ze kussen de drempel van de tombe en de deurposten. Sommigen draaien hun gebedskralen, anderen lezen de Koran.
Mijn angst heeft plaatsgemaakt voor een kort, hevig en onverklaarbaar verlangen deel uit te maken van deze massa. Ik zie honderden handen zich uitstrekken naar de verstilde rechthoek waarin de imam ligt opgebaard. Iedereen wil het zilverwerk aanraken, liefst kussen. Vaders tillen hun kinderen boven hun hoofden om het allebei te doen. Er wordt gehuild en er klinkt, uit het niets, als volgend op een geheim teken, een diep oergebrul dat recht uit de zielen van deze mannen lijkt te komen. Gewillig draai ik met de massa mee, om de tombe heen, en verlaat het mausoleum weer. Ik sta weer buiten, in de felle zon, en het lijkt alsof ik ontwaak uit een hypnose. Ik kan bijna niet geloven dat ik binnen was.


november 15, 2011 at 10:40 pm
Spannend verhaal. Zie het zo voor me. Er zijn je vast maar heel weinig westerlingen voorgegaan. Behalve Robert Byron dan, maar dat was een andere tijd.