De weg van Mesjed naar Teheran

De airco staat, zoals gewoonlijk in Iraanse bussen, veel te hoog afgesteld en stort een constante stroom van ijskoude lucht in mijn nek. Het roostertje waarmee je de stroomrichting van de lucht kunt afstellen is er in zijn geheel uit, waardoor ik niets kan reguleren. Uiteindelijk stop ik mijn zakdoek er maar in om de kou uit de lucht te nemen. Buiten is het boven de dertig graden.

Een paar uur eerder heb ik afscheid genomen van Babak, die me bij de bushalte nog drie maal op de wangen had gezoend. ,,Stuur eens een mail”, zei hij. Ik beloofde het hem en vertrok. Nu rijd ik naar Teheran, een rit van zo’n veertien uur, en laat het landschap aan me voorbij glijden. In het noorden zie ik de vertrouwde bergen in rode, grijze en hier en daar aquagroene tinten. In het zuiden de dorre, rimpelige akkers, die overgaan in de zoutwoestijnen, die op hun beurt weer in een verre stofnevel verdwijnen. Daarachter zijn vage bergen zichtbaar, alsof een schilder ze begonnen is te aquarelleren en ze daarna vergeten is. Hier en daar in het landschap staat een kleine moskee of doorsnijdt een boer op zijn trekker het land.

Ik ben moe. De jongeman naast me ook. Hij slaapt aan één stuk door en knikkebolt voordurend. Soms helt hij naar links over en laat zijn hoofd op mijn schouder rusten, zonder dat hij het door heeft. Ik laat het maar. We hadden geprobeerd te praten, maar het was hopeloos, hij sprak geen woord Engels. Elkaar vriendelijk toeknikkend hadden we uiteindelijk elkaar  onze goede wil getoond, maar geaccepteerd dat we nooit iets van elkaar te weten zouden komen.

De zevenhonderd kilometer lange route naar de Iraanse hoofdstad was in vroeger eeuwen de hoofdweg waarover binnentrekkende volkeren uit het oosten, Turkische en Mongoolse cavaleristen, naar het westen stormden. Bijna tweehonderd jaar geleden trok de Engels reiziger James Fraser hierlangs en hij kwam toevallig in het dorp Mazinan terecht. Daar, zo had ik gelezen, stuitte hij op de monumentale tombe van Ismaïl, de aartsvader van de Ismaïlieten, een aftakking van de sjiïeten waaruit de moorddadige Assassijnen voortkwamen. De Ismaïlieten leven nog steeds voort in de beweging van de Aga Khan, de geestelijk leider van de de stroming. Omdat Ismaïlieten werden beschouwd als ketters, vluchtten ze naar grote hoogten in Paskistan en Tadzjikistan, maar zwermden ze ook uit over Syrië, India en zelfs naar Kenia. Ik wou dat ik er heen kon, maar de buis schommelt verder naar Teheran.

Onderweg stopt de bus bij een wegrestaurant. Ik eet rijst met vette kip in tomatensaus en drink zamzam, de Midden-Oosterse variant van het heidens Coca Cola. Buiten zit ik in de brandende zon te wachten tot we verdergaan. Ik verlang naar een praatje. Mijn medepassagiers kijken me aan en ik hen. Maar we zijn niet tot communicatie in staat. Een moment voel ik me eenzaam.

Als we weer rijden en de dag ten einde loopt, zie ik de bergkammen in het noorden steeds roder kleuren door het langzaam verdwijnende zonlicht. Mijn buurman slaapt nog altijd. Bij een wegversperring komen er twee agent de bus in. Even denk ik dat ze voor mij komen, ik ben de vreemde eend in de bijt. Maar de vrouw van middelbare leeftijd en de jonge man voor me worden uit de bus meegenomen. Eerst lijkt de jongen alleen te gaan, maar de agent wenkt de moeder streng ook de bus uit te komen. Ze gaan het kantoortje van de politie binnen en ik vraag me af wat er gaande is.

Pas na een kwartier of drie komen de vrouw en de jonge man weer terug. Ze kijken beteuterd. Zijn ze geïntimideerd? Hebben ze een boete moeten betalen? Timide nemen ze plaats en de bussteward begint op scherpe toon met hen te praten. Ik versta hem niet, maar zijn lange, magere gezicht staat kwaad en zijn felle ogen schieten vuur. Niet gericht tegen het tweetal, maar tegen de politie, zo lijkt het. En ineens besef ik wat er mogelijk aan de hand was: de vrouw en man (waarschijnlijk moeder en zoon) zitten naast elkaar en moesten zich identificeren. Vrouwen mogen in Iran  in het openbaar vervoer alleen naast een familielid zitten. Ik had het vaker gezien, bij aanvang van eerdere busreizen, waarbij er een soms hilarische stoelendans ontstond en ik, als soloreiziger, veelal van zitplaats moest verwisselen zodat dames naast hun man, zoon of broer konden zitten. Het was altijd een tamelijk vrolijk tijdverdrijf.

Maar dit keer ging het grimmiger. Kennelijk had deze vrouw haar identificatiepas niet bij zich, reden om haar en de jonge man af te voeren en te ondervragen.  De steward praat maar door en knikt met zijn hoofd voortdurend in de richting waar we vandaan kwamen en waar de agenten stonden. Ik zie opstandigheid in zijn houding.

Om elf uur ’s avonds doemen in het donker en verlicht door straatlantaarns en koplampen van auto’s de buitenwijken van Teheran op. De smog, die altijd over de stad heen ligt, dringt de bus binnen. Tollend op mijn benen strompel ik het busstation af, op zoek naar een taxi. Ik ben duizelig van vermoeidheid. Eén nacht in Teheran. Snel vind ik een hotel, waar ik als een blok in slaap val.