In de bus naar Kasjan, op zo’n 125 kilometer ten zuiden van Teheran, moet ik vanwege islamitische beginselen opnieuw van plaats wisselen en kom ik naast een man te zitten met beschaafde trekken en een zachte manier van praten. Aref is hoogleraar en halverwege de dertig, al ziet hij er door zijn licht grijzende haar wat ouder uit.
Zijn Engels is alleszins redelijk en ruim voldoende voor een gesprekje. Als we ten zuiden van Teheran rijden, passeren we het kolossale monument van ayatollah Khomeini, een reusachtige moskee waar vier minaretten zo hoog als televisiezendmasten boven uittorenen. ,,Weet u wie hij was?”, vraagt Aref voorzichtig. Ik knik bevestigend. ,,Hij is nog overal in dit land aanwezig hè”, zeg ik. ,,Helaas wel”, grinnikt Aref in een mengeling van afkeer en humor. Vanaf het eerste moment dat ik op het vliegveld van Tabriz was geland tot op de dag van vandaag, overal was ik in de gaten gehouden door de oplettende blikken van de geestelijk leiders Khamenei en Khomeini. ,,De moellahs hebben dit land kapotgemaakt, iedereen wil nu weg. De Iraanse maffia heeft de economie in handen en de regering is voor 100 procent met haar verbonden”, beweert Aref op samenzweerderige toon.
-,,Maar dit bewind is erg religieus, hoe kan dat samengaan met maffiapraktijken?”, speel ik de advocaat van de duivel.
Aref lacht schamper. ,,Religie in dit land is slechts een presentatie, iets wat aan de buitenwereld getoond moet worden. Maar in werkelijkheid zijn wij Iraniërs helemaal niet zo religieus. Ja, in Mesjed en Qom, daar zitten de moskeeën vol. Maar elders?”, vraagt Aref zich retorisch af.
-,,Bent u zelf gelovig?”, vraag ik, nu op mijn beurt voorzichtig.
,,Ja, ik ben moslim en ik ga zo nu en dan naar de moskee. Maar in dit land wordt religie afgedwongen en dan gaat het geloof mensen tegenstaan. Kijk naar Turkije. De mensen daar zijn veel geloviger dan wij. Omdat ze vrij zijn en vrouwen er geen hoofddoek hoeven te dragen.”
-,,Hebben uw ouders destijds voor de islamitische staat gestemd?”, vraag ik. Arefs gezicht krijgt ineens droevige trekken. ,,Nee, ze waren toen in West-Europa.” Hij kan hen niets kwalijk nemen, lijkt hij te willen zeggen en daarmee de hele vorige generatie vergiffenis te willen schenken. Niemand kon aanvankelijk weten hoe het beleid van Khomeini (die bij zijn terugkeer vrijheid en economische voorspoed had beloofd) uiteindelijk zou ontaarden in massa-arrestaties en –executies.
,,Weet u waarom we in Iran zo slecht Engels spreken”, vraagt Aref. ,,We krijgen van elke taal maar een klein beetje. De regering wil niet dat we met buitenlanders praten. Zo raken we geïsoleerd.”
’s Middag loop ik zonder doel door de straten van Kasjan, een oase van rust. De warme namiddagzon heeft de straten met loomheid geslagen en ik laat me erin meevoeren. Zoals overal in Iran (en Centraal-Azië) zie ik lange straten, met overal de achthoekige straatstenen in het trottoir en de eindeloze rij lage winkeltjes die allemaal hetzelfde verkopen. Ze koesteren zich in de schaduw van de dennenbomen, die overal langs de kant van de weg staan. In de verte, ver buiten de stad, rijzen de bergen in de heiige lucht. Ik slenter ontspannen door de met koepelgewelven overdekte bazaar, waarin zich zo af en toe een moskee verbergt.
Ook bezoek ik de ‘traditionele huizen’, achttiende en negentiende eeuwse paleizen waarom Kasjan landelijke bekendheid geniet. Ze liggen verscholen achter onopvallende lemen muren, maar als je daarachter kijkt, openbaren zich adembenemende binnenplaatsen die worden omsloten door labyrintachtige vertrekken en iwans waarin stalactieten zich hebben vastgezogen. Verrukt dwaal ik rond en loop ik over de galerijen waarvan de muren zijn belegd met hectische bloemmotieven. De paleizen doen me denken aan de verblijven van de maharadja’s in India. Ze zijn soberder, en kennen een bijna griezelige symmetrie. In het meer dan 450 jaar oude badhuis van Hammam-e Sultan mir Ahmad, dat te midden van de paleizen ligt, vergaap ik me aan de bloemreliëfs in pasteltinten blauw, geel en oranje die door de door kleine koepelruitjes binnenvallende zonnestralen fraai worden verlicht.
Een trap naar beneden, in een van de binnenplaatsen, leidt naar een kelder waar zich een boekenwinkeltje bevindt. Ik struin langs de tafeltjes en vraag me af waar de boeken en andere geschriften zoal over gaan. Ik zie worstelaars afgebeeld, een sport waarin Iran traditioneel sterk is. Dan zie ik ineens, tussen de in het Farsi vertaalde boekjes van Walt Dinsey en de Lonely Planets van het Midden-Oosten de foto van een man met een officiersjas en een militaire pet op het hoofd. Het kleine snorretje onder de neus is onmiskenbaar dat van Adolf Hitler en ik realiseer me dat hier tussen de kinderboeken en reisgidsen een vertaalde versie van Mein Kamp ligt opgebaard, als een misdadig relikwie uit een ver verleden. De inhoud is in het Farsie, maar de titel is nog in het Duits geschreven.
Eigenlijk mag het me niet verbazen dat het hier ligt, denkend aan de antisemitische uitspraken van de president van dit land, die meerdere keren heeft gesteld dat Israël van de landkaart geveegd moet worden. Het boek ligt hier als munitie voor de propaganda-artillerie tegen de Joodse staat, al zullen weinigen het hier lezen. Maar ik besef ineens weer, dat de lome en vriendelijke omgeving waarin ik me bevind en het volk dat me hier zo gastvrij heeft omsloten, zijn ingebed in een grimmige geopolitieke werkelijkheid. Weer wakker geschud en onthutst loop ik verder.
In een souvenirwinkeltje even verderop, treft me opnieuw verbazing, maar nu door iets onschuldigers: Nederlandse klompjes van porselein met Delftsblauwe molentjes erop geschilderd. ,,Ze komen uit China”, grinnikt de verkoper.


