De binnenplaats van de Hazrat-e Masumeh in Qom

In een gammele bus vertrek ik van Kasjan naar Qom, de één na heiligste stad van Iran en het sjiitische Vaticaan, waar de moellahs worden opgeleid. Naast me zit een Afghaans gezin, een jonge vader en moeder en twee kleine kinderen. De vader is teder met zijn jongste, die hij te drinken geeft uit een pakje, maar dan weer streng als het ventje te ongedurig is en wild om zich heen begint te trappen. Hij kijkt mijn richting uit en glimlacht. Ik lach terug.

In Qom duurt het lang voordat ik een onderkomen vind. Een Engelsman in Yazd had me gezegd dat de stad het niet waard is om meer dan een paar uur door te brengen, maar ik ga toch op zoek naar een slaapplaats. Langs de Imam Moesa Sadr boulevard en de opgedroogde Qom-rivier ligt een keur aan hotels en pensions. Aan de overkant de Hazrat-e Masumeh, de heilige moskee, waarvan de koepels feeëriek liggen te glimmem in de najaarszon, gelijkend op een Russisch kremlin.

Ik struin een paar zijstraatjes van de boulevard af op zoek naar onderdak. Maar alle goedkope pensions zitten vol, of zeggen dat ze volzitten. Evenals in Mesjed krijg ik het onbestemde gevoel dat ik niet welkom ben. Qom is een oerconservatieve stad en ik blijf een niet-moslim.

Net als ik overweeg een wat duurder hotel te proberen, stopt een sjofele man op een brommer voor me in een van de straatjes. Hij is lang en mager, draagt een t-shirt, een beige outdoorbroek tot aan de kuiten en aan zijn voeten teenslippers. Hij spreekt geen woord Engels, maar zijn tandeloze mond probeert me duidelijk maken dat hij wel een slaapplaats voor me weet.

Ik volg hem verder de wirwar van straatjes in en we komen bij een afbladderend appartementenblok. We lopen het vuile trappenhuis in en hij opent een voordeur. In het appartement stinkt het naar urine en in het halfdonker kijk ik om me heen. De man, die de beheerder van het appartement is, blijft maar raaskallen, alsof hij me ervan wil overtuigen dat ik zijn aanbod moet aannemen. Hij opent een deur voor me naar een schimmelige kamer. Er staan geen meubels en geen bed. Op de vloer liggen dikke, oude Perzische tapijten en in de hoek een stapel dekens en hoofdkussens.

Ik loop nu al twee uur te zoeken en het is maar voor één nacht, verdedig ik voor mezelf een keuze die ik niet wil maken.  ,,Hoeveel kost het?”, vraag ik hem. Omgerekend zo’n 10 euro, verklaart de beheerder, die in een klein, vuil kamertje zijn eigen bed heeft staan. Ik ga akkoord en geef hem mijn paspoort. Maar wanneer ik hem het geld overhandig, begint de man heftig te gebaren en duidelijk te maken dat hij meer wil. De irritatie over hem die ik al enige tijd voelde, slaat om in woede en ik zeg hem dat dat niet de afspraak was. ,,Maar je blijft maar één nacht, dus is het duurder”, probeert hij me wijs te maken.

Ik ben hem zat,  gris mijn paspoort met het geld erin van tafel en loop terug naar de kamer om mijn rugzak op te halen.  Terwijl ik in het donkere gangetje mijn schoenen zit aan te trekken, vraagt de man, die tot dan toe alleen nog maar erger tegen me was gaan ratelen, ineens op rustige toon (alsof hij zich heeft neergelegd bij zijn verlies):
,,Ben je sjiiet?”
-,,Nee”, antwoord ik kalm en ga door met het strikken van mijn veters.
,,Ben je moslim?”
-,,Nee.”
,,Ben je een messiaan (christen, jb)? Of een kafir?’’, vraagt hij dan, terwijl hij met zijn handen een denkbeeldige mitrailleur vasthoudt en het bijbehorende geluid maakt. Bedreigt hij me nou? Zijn boodschap is in ieder geval duidelijk: ik ben een ongelovige en moet neergemaaid worden. Ik pak mijn spullen op en loop zwijgend langs hem heen naar buiten. Voor het eerst in Iran word ik vijandig benaderd.

Het Azadi-plein en de Hazrat-e Masumeh

Aan de andere kant van het moskeeëncomplex, op het Azadi-plein begin ik me langzaamaan weer op mijn gemak te voelen. Ik smul van de overweldigende aanblik van de enorme koepels – een van goud, de ander bekoorlijk betegeld – en de hoog erboven zwevende, ranke minaretten tegen donkere wolkenpartijen. Grote groepen vrouwen in zwarte tsjadors schuifelen van en naar de moskee, als van de grond losgekomen, verlegen schaduwen, te midden van andere gelovigen en moellahs die hier in Qom hun opleiding genieten. Onder hen opvallend veel geestelijken met Centraal-Aziatische gezichten, Oezbeken en Afghanen mogelijk. Ik zie ze in groepjes met elkaar praten, of hier en daar met gelovigen. Sommigen komen voorbij gestoven, gezeten achterop een brommer of zelf aan het stuur. De aanblik heeft iets kolderieks.

De Hazrat werd gebouwd door de zestiende eeuwse Safavidische sjah Abbas I en zijn opvolgers, die in eigen land een sjiitisch tegenwicht wilden bieden aan de heilige plaatsen Najaf en Karbala in Irak. Ofschoon de gouden koepel door de Qajaarse heerser Fath Ali Sjah erop werd geplaatst. De sjahs hebben plaatsgemaakt voor de ayatollahs, die vastbesloten zijn het complex, evenals dat van imam Reza in Mesjed nog  verder uit te bouwen.

In de tombe van Hazrat ligt de zuster van Reza, Fatemeh, begraven en ook dit is voor mij als niet-moslim verboden terrein. Maar de herinnering aan Mesjed doet me moed vatten, dus geef ik mijn schoenen af en sluip door een zwaar fluwelen groenen gordijn naar binnen. Daar word ik, evenals in Mesjed, opnieuw verpletterd door de schitterende aanblik van de met facetgeslepen spiegeltjes afgezette wanden en plafonds, waaronder enorme kroonluchters lijken te zeilen. Om me heen, zij het minder druk dan in Mesjed, draaien mannen met hun amberkleurige kralen, lezen ze de Koran en gebedenboeken, knielen ze in gebed voorover en vegen ze devoot met de handen over het gezicht. Aan de andere kant van een matglazen wand, waardoor ik nauwelijks heen kan kijken, zie ik de silhouetten van vrouwen, wier handen,  net als die van de mannen aan mijn kant, zich uitstrekken naar de heilige tombe van Fatemeh en hoor ik het melodramatische gehuil dat daar bijhoort. Ook hier lijk ik onzichtbaar, niemand houdt me tegen, niemand stuurt me weg als ik loop door de zilveren, bevroren vertrekken van wat wel een ijspaleis lijkt.