Bezoekers van de Sjah Abdol Azim-moskee

De zuidelijke buitenwijken van Teheran hebben de stad inmiddels volledig opgeslokt, maar  Rey was in de elfde en twaalfde eeuw een machtig Sassanidisch centrum, een metropool groter dan Teheran, die werd vergeleken met Bagdad. In de tijd dat de Zijderoute zich ontwikkelde, werd het een belangrijke pleisterplaats voor handelaren die van oost naar west of vice versa trokken. De furieuze plundering door de Mongolen heeft Rey echter niet overleefd en de inwoners die nog konden ontsnappen aan de Mongoolse razernij, keerden er nooit meer terug.

Toch zijn er nog een paar parels gespaard gebleven, zoals de verbluffende Sjah Abdol Azim-moskee, waarin ik ontspannen rondloop. Ik ben prettig verrast door de schoonheid van het negende eeuwse complex, dat ministens zo mooi is als dat in Mesjed en Qom, maar kleiner en  intiemer. De bezoekers ervan lijken vrolijker, al doen ze in devotie niet onder voor hun landgenoten elders.

Op de binnenplaats dwaal ik over de zwartmarmeren graven van overledenen, wier foto’s in het steen zijn verwerkt. Ik ga de moskee in, waar imam Hamzeh, een broer van Reza, ligt begraven (hier is het wel toegestaan voor niet-moslims binnen te treden) en word duizelig van de spiegelwanden en -plafonds. Het zal de laatste oude moskee zijn die ik in Iran bezoek, want mijn reis is bijna ten einde, nog een paar dagen. Daarom neem ik de schrijn beter in me op dan de andere heilige plaatsen waar ik was en geniet nog intenser van het interieur, waarvan de kleuren, zoals die zichtbaar zijn in soennitische godshuizen, op de grond lijken stukgevallen en er alleen nog de schittering van de spiegels over is.

Verstrooid maar zonder zorgen slenter ik verder door de stad, door de bazaar, neem een taxi en ga op zoek naar de laatste resten van het oude Rey: een stuk stadsmuur, afgebrokkelde resten van een  fort boven een vroeger heilige bron, waarin kinderen zich lachend neer laten storten vanaf de rotspartij die het water van de muur scheidt. In het gesteente zijn mysterieuze tekeningen uitgehouwen die dateren van de Kajar-periode.

Even verderop vind ik het twaalfde eeuwse mausoleum van de Seltsjoekse heerser Toghrul Beg, die stierf in 1063. Oorspronkelijk was de tombe, zoals gebruikelijk, gekroond met een koepel, maar die stortte in tijdens een aardbeving. Nu zie ik aan de buitenkant alleen nog de twintig meter hoge, ronde, bakstenen muur van de toren, die is opgedeeld in 24 segmenten met hoeken erin, waarschijnlijk aangebracht om de structuur tegen bevingen te beschermen. Ik loop door de poort naar binnen, kijk omhoog en zie boven me een perfect ronde, lichtblauwe cirkel als uitsnede van het firmament. Duiven doorkruisen de toren en vliegen van de ene naar de andere kant. Aan de top van de toren zijn vroeger Koefische inscripties geweest, maar die zijn reeds lang geleden afgebladderd.

Het mausoleum van Toghrul Beg

Ik loop terug naar mijn taxi. De chauffeur brengt me naar het metrostation en ik krijg ruzie over de prijs, die ik van tevoren niet voldoende had afgesproken. Grommend betaal ik, stap uit zonder te groeten en reis terug naar het centrum van Teheran.