Het mausoleum van Khomeini

Het is even over middernacht als ik de terminal van de luchthaven van Teheran binnenkom. Het is druk, maar ik voel een soort lome ontspanning. Zoals je kunt hebben als je weet dat je veel te vroeg ergens bent. Ik check in en sta in een lange rij te wachten voor de paspoortcontrole. Het is de laatste mogelijkheid waar de autoriteiten nog lastige vragen zouden kunnen stellen. Maar nee…. echt zenuwachtig ben ik niet meer.

De laatste dag in Teheran bezocht ik het mausoleum van ayatollah Roehollah Khomeini. Toen ik het metrostation uitkwam, lag het op zo´n twee- tot driehonderd meter voor me, als een reusachtig zeilschip met de minaretten als masten. Ik herkende ze uit de beschrijving van V.S. Naipaul, die in zijn boek Meer dan geloof uit 1995 optekent, dat het lijkt alsof de architecten niet meer wisten hoe ze moesten stoppen met de bouw van de torens en bovenop het ene stuk weer een ander plaatsten. De minaretten schenen gemaakt van aluminium en staken 91 meter hoog de lucht in, een verwijzing naar de leeftijd waarop Khomeini volgens de islamitische telling van maanjaren stierf. (Volgens onze jaartelling werd hij 87 jaar)

Ook schreef Naipaul hoe afgetakeld het mausoleum er toen al bijlag, net vijf jaar nadat het was gebouwd. Het beton brokkelde af en overal zaten barsten in de vloer.  Na de dood van Khomeini, die meteen na de revolutie van 1979 de voor sjiieten hoogste titel van imam kreeg, had het Iraanse volk zoveel behoefte aan een locatie om te rouwen, dat het complex in een halfjaar tijd uit de grond werd gestampt. Het is indrukwekkend door zijn omvang, en minstens zo imposant door zijn lelijkheid.

Ik naderde de roze kolos met zijn blikken koepel en ontdekte dat ik de noordelijke binnenplaats niet op kon: afgesloten wegens reparatiewerkzaamheden. Overal lagen brokken beton en roestige stukken gevlochten metaal en het leek alsof een totale renovatie de haastklus van twintig jaar geleden moest compenseren. Ook de vier minaretten stonden in de steigers en waren roestbruin van boven. Slechts een droeg nog een goudkleurige piek.

Aan de buitenkant van het complex waren kleine winkeltjes en fastfood-restaurantjes, waar je pizza en vette, slappe hamburgers kon eten, gestolen surrogaatproducten van het door Khomeini zo gehate Westen. Datzelfde Westen (Frankijk) dat hem tijdens zijn ballingschap evengoed wel jarenlang toevlucht had verschaft. Ik liep om het mausoleum heen, dat zo monsterlijk groot was, dat ik er zeker een kwartier over deed.

Op de muren van de westelijke zijkant waren grote portretten van Khomeini en zijn zoon Ahmad, die in 1995 overleed en naast zijn vader ligt begraven, geschilderd. Ik keek verbaasd naar de levensschets van de ayatollah, die uitzag over een landschap van groene heuvels, wuivende populieren en lieflijk stromende beekjes en rond wiens hoofd witte duiven fladderden, als levende symbolen van vrede. Zijn gezicht was zachter geschilderd dan het harde gelaat dat de ayatollah in werkelijkheid had, in zijn ogen stond bijna verwondering te lezen.

Een onooglijke, kennelijk tijdelijke zijingang bood toegang tot de crypte zelf. Ik gaf mijn schoenen af en ging samen met een groep legerrekruten naar binnen. Daar nam de verbijstering alleen maar toe. Ik zag een afzichtelijke hal van zo’n honderd vierkante meter, waarin mintgroene, betonnen zuilen een blauwgeschilderde buizenconstructie droegen. Aan de muur hingen enorme stukken zeil waarop rondbogen waren geschilderd, alsof het mausoleum zo snel in elkaar was geflanst, dat er geen tijd meer was geweest om echte arcaden te bouwen.

De centrale hal deed aan als een tijdelijke expositieruimte, op de vloer lagen dikke kleden waarop de gelovigen uitrustten en een enkeling bad. De groep rekruten had zich om een geestelijke geschaard (hij stond, zij zaten) en luisterden naar zijn prediking, soms riepen ze gelijktijdig een slogan en sloegen ze elkaar kameraadschappelijk op de schouders. De soldaten droegen olijfgroene legerbroeken en witte t-shirts met lange mouwen en de afbeelding van geestelijk leider ayatollah Khamenei. Sommigen hadden groene banden om hun hoofd geknoopt, het teken van de Basiji, veteranen van de oorlog met Irak die her en der worden ingezet als knokploegen om de islamitische revolutie te beschermen. Deze jongens waren veel te jong om die oorlog te hebben meegemaakt en de doeken om hun schedel hadden me grotesk aangedaan.

Ik liep naar de sarcofaag zelf, een aftreksel van die van Reza in Mesjed, maar lelijker en zonder enige verfraaiing. Over het graf van Khomeini lag groen brokaat met een koran er bovenop en overal door het aluminium (!) traliewerk was geld naar binnen gestopt. Op de graven van vader en zoon stonden hun beider foto’s. Het bijna onnozele gelaat van Ahmad, het geslepen gezicht van zijn vader, die zowaar glimlachte. Maar het was een glimlach van cynisme en megalomanie. Boven de ijzige constructie hing een sliert van groene gloeilampen, als een aftandse kerstversiering.

Een gevoel van weerstand was voortdurend bij me en ik vertrok uit de ruimte, die alleen op de sterfdag van Khomeini echt vol schijnt te zijn. Weer buiten had ik de begraafplaats bezocht, waar de gevallenen van de ‘Afgedwongen oorlog met Irak’, zoals de Iraniërs het noemen, liggen. Hier in het Behesjt-e Zahra, ‘het paradijs van de stralende dochter van de Profeet’, zijn niet minder dan tweehonderdduizend mannen begraven. Ze vielen in een oorlog die zich grotendeels buiten de Westerse belangstelling en het gezichtsveld van de wereld afspeelde.

Het Irak van Saddam Hoessein was Iran in het najaar van 1980 binnengevallen, omdat het bang was voor het islamitische vuur van de Iraanse revolutie, ruim een jaar eerder. Saddam, behorend tot de soennitische minderheid in zijn land en nauwelijks een gelovige, verachtte de sjiitische extremisten en de ayatollahs. En omdat het Westen er net zo over dacht, wist hij zich verzekerd van de steun van de Verenigde Staten in zijn strijd tegen Khomeini.

Oude en juist heel jonge Iraanse mannen gingen nauwelijks bewapend de mijnenvelden in. Soms werden ze opgeblazen of vanuit Iraakse helikopters neergemaaid als ze een paar honderd meter in de hitte en het woestijnzand oprukten. Tenslotte ging Saddam hen met mosterdgas en cyaankali te lijf, een flagrante schending van het VN-oorlogsrecht en een misdaad tegen de menselijkheid. Soms stierven er wel duizend Iraanse militairen per dag.

Toen in 1982 Iran tijdelijk de overhand kreeg, had Khomeini de strijd kunnen staken en de vrede tekenen. Maar zijn messiaanse missie zei hem dat hij moest gaan voor Bagdad, voor de heiligste sjiitische steden Karbala en Najaf en voor de Iraakse olie. Daardoor zou de oorlog nog zes jaar voortduren en stuurde Khomeini tienduizenden nodeloos de dood in. Aan weerskanten kwamen zo’n vijfhonderdduizend mensen om.

Ik had gelezen over een jongen van dertien die nog steeds een nationale held was, omdat hij met een bomgordel onder een Iraakse tank was gelopen en door zichzelf op te blazen het pantservoertuig tot stilstand had gebracht. En ik had gelezen hoe de Iraanse regering haar eigen leger bedroog. Door een met een in lichtgevend fosfor gedrenkt gewaad geklede ruiter op een wit paard met een zwaard in de hand het nachtelijke slagveld op te sturen, probeerde het regime de manschappen te motiveren door te vechten. Ze dachten dat ze in het donker de Mahdi, de twaalfde verborgen imam hadden gezien, en wilden hem volgen in de strijd en liefst sterven als martelaar.

Ik dwaalde tussen de graven en zag de jonge, onvolwassen en serieuze gezichten van de slachtoffers van een nutteloze oorlog. Hier en daar veegden nabestaanden (ouders, ooms en tantes, misschien broers en zussen)  de bladeren van de grafstenen en maakten die schoon. Overal zaten mensen en tot mijn verbazing picknickten ze tussen de zerken. Ze strooiden er rozenblaadjes overheen. Niet bedroefd leken ze me, eerder berustend en ze knikten me vriendelijk toe. Soms kreeg ik wat te eten toegestopt, een stuk brood of wat fruit. Ook tussen de doden verliezen Iraniërs hun hoffelijkheid niet.

Toch duizelde het me. Somber en verward verliet ik deze enorme dodenakker en vergaf mezelf niet dat dit het laatste moest zijn wat ik van Iran zou zien. Ik ging terug naar de stad, haalde in mijn hotel mijn rugzak op en vertrok per taxi naar het vliegveld. Onderweg reden we nog eenmaal langs het masuoleum, dat als een donkere burcht met verlichte torens opdoemde in Iraanse de nacht.